MOOI BOOS
16 maart 2026 - Brussel
Het gebeurt niet vaak dat een bioscoopfilm – zonder dat de makers in de zaal zitten – op het einde een spontaan applaus krijgt. Vol overtuiging klap ik mee. Niet alleen omdat ik The day Iceland stood still een indrukwekkende documentaire vind, maar vooral uit dankbaarheid voor de vrouwen die erin getuigen.
Allen blikken ze terug op die ene legendarische dag, waarvan ik nog nooit had gehoord: 24 oktober 1975. Die vrijdag voerden de IJslandse vrouwen bewust geen enkele werk- of zorgtaak uit. Hun doel? Aantonen hoe oneerlijk het was dat vrouwen amper dezelfde kansen kregen als mannen en vaak maar half zo veel verdienden voor exact hetzelfde werk. Met een collectieve 24 uursstaking zou snel duidelijk worden hoe onmisbaar al die ondergewaardeerde vrouwen in de samenleving waren.
Toen vrouwen overal ten lande elkaar via de radio of telefoon opriepen om deel te nemen, lachte zowat iedere IJslandse man hen vierkant uit. Maar toen op 24 oktober bleek dat 90 procent (!) van de vrouwen op IJsland het werk neerlegde, viel er nog maar weinig te lachen. Winkels, crèches en scholen bleven dicht, fabrieken lagen stil, kranten konden niet verschijnen, vliegtuigen bleven aan de grond. Om nog maar te zwijgen van het aantal mannen dat plots door vrouwlief de kinderen op kantoor gedropt kreeg en ’s avonds voor het gezin mocht koken en afwassen.
Wat de IJslandse vrouwen klaarspeelden, klinkt nu misschien komisch, maar vijftig jaar geleden moet het extreem moedig geweest zijn. Velen vreesden – terecht – om ontslagen te worden door hun mannelijke bazen. Een van de getuigen zat op 24 oktober 1975 als dienstmeid op zee. Samen met de enige andere twee vrouwen aan boord van een schip vol mannen sloot ze zich ’s ochtends op in een kajuit. Op zo’n daad van muiterij stonden zware straffen, maar in plaats van hun brullende kapitein te gehoorzamen, stuurden ze een telegram naar Reykjavik. De voorgelezen woorden “Wij doen mee vanop zee”, maakten de ongeziene mensenzee van stakende vrouwen die daar samenkwam, helemaal wild. Ik krijg rillingen over heel mijn lijf. Sociale media zijn er niets tegen.
Diezelfde avond kijk ik naar het nieuws: “Een derde van de gen Z-mannen vindt dat een vrouw haar man moet gehoorzamen.” Ik slik. Blijkbaar is dat dubbel zoveel als het aantal babyboomers met diezelfde overtuiging. Nadien bekijk ik de nieuwe documentaire van Louis Theroux over de manosphere. Ik slik opnieuw. Het doet me beseffen hoe akelig actueel The day Iceland stood still is. Misschien is het gevaarlijkste aan deze tijden nog niet zozeer het ultraconservatieve gedachtegoed dat overal aan macht wint. Nog gevaarlijker is misschien wel onze berusting in het gevoel dat vrouwenrechten die vorige generaties voor ons verworven hebben, in steen gebeiteld staan. De illusie dat de klok niet teruggedraaid kan worden.
Hoog tijd dus om collectief uit onze winterslaap te ontwaken. En daarmee bedoel ik absoluut niet dat vrouwen zich tegen mannen moeten keren. Ook die misvatting werd in 1975 gretig gedeeld: al die stakende vrouwen wilden vast de macht van mannen overnemen. “Nonsens”, repliceert een vrouw in de film. “Het enige wat wij wilden, was gelijkheid. Niet meer, maar ook niet minder.” Een andere deelneemster krijgt de vraag of ze mannen haatte. Ze proest het uit van het lachen, alsof ze nog nooit zo’n belachelijke vraag heeft gehoord. Ik lach met haar mee.
Wie had gehoopt om tijdens de vertoning een bende grijze agressieve (ex-)feministes te zien, is er inderdaad aan voor de moeite. Alle vrouwen die terugblikken, komen zo doodgewoon over dat net dát hun grootste kracht is. Dat ze in 1975 geschiedenis schreven, komt net doordat ze hun onderlinge verschillen overstegen. Ongeacht hun rang of stand, hun leeftijd of hun politieke kleur verenigden ze zich samen in één grote vrouwenbeweging zonder leider. “Onze boosheid was zo mooi”, vat een van de vrouwen het samen. “Ze was niet bitter. Ze was mooi.”
Omdat die prachtige zin blijft nazinderen, schrijf ik hem op. Tegenover mij in de trein zit een smakkende man. Als er iets is dat ik haat, zijn het wel smakkende mannen op treinen. “Wat ben je aan het schrijven?”, vraagt hij me plots. “Een boek?” Ik ontdooi. En terwijl ik mijn hoofd schud, betrap ik mezelf op een extreem vrouwelijk antwoord: “Ik probeer iets voor de krant te schrijven over vrouwenrechten, maar ik twijfel of ze het zullen publiceren, want waarschijnlijk is het niet goed genoeg.” Zonder enige ironie of machotrekjes spreekt de man zijn oprechte steun uit. Ik zie het als een teken van het universum en neem mezelf iets heel belangrijks voor.
Voortaan is er niets meer dat ik haat. Vanaf vandaag ga ik alleen nog maar ‘mooi boos’ door het leven.